slideshow 1

Gangen

Rijden

Draf. Foto CJ
Draf. Foto CJ
Tölt. Foto CJ
Tölt. Foto CJ
Foto: Henk Peterse
Foto: Henk Peterse
Anatomie
Anatomie
Telgang. Foto CJ
Telgang. Foto CJ

Een paard weet van nature hoe hij moet stappen, draven en galopperen. IJslanders hebben daarbij meestal nog een natuurlijke aanleg voor tölt en/of telgang. Zodra we op de rug van het paard stappen, vragen we het paard om iets doen waarvoor het niet gemaakt is. Als ruiter beïnvloedt je de balans en de natuurlijke bewegingen. Niet alleen met je gewicht, maar ook omdat je de regie overneemt: je bepaalt het tempo, de richting en zelfs de manier waarop het paard zich draagt. Het paard zal niet begrijpen waaróm je zo nodig tölt wil rijden, waarom je verzameling vraagt of waarom je het tempo bepaalt. Maar vanuit zijn natuurlijke neiging tot samenwerking zal ieder paard in principe mee willen werken - als hetgene wat de ruiter van hem vraagt past bij zijn fysieke en mentale ontwikkelingsfase en als hij begrijpt wat de ruiter bedoelt.

Als ruiter ben je ervoor verantwoordelijk dat het paard zich onder het zadel goed kan bewegen. Daarvoor is enige kennis van het bewegingsmechanisme nodig. En vooral kennis van de gangen, van het verschil tussen goede en slechte beweging en van de invloed die je als ruiter hebt op je paard.

Anatomie

Het bewegingsmechanisme is een complex onderdeel van de fysiologie van het paard, waarover boeken vol geschreven zijn. Hieronder wordt een heel globale beschrijving gegeven van de anatomie.

Botten en gewrichten
Er zijn vier soorten botten:

  • Lange botten (benen): hefbomen die het lichaam dragen en voortbewegen;
  • Korte botten (bv gewrichten) die schokken absorberen;
  • Platte botten (bv ribben, bekken en schedel) die vitale organen beschermen en aanhechtplaatsen voor de spieren vormen;
  • De onregelmatig gevormde botten van de wervelkolom, die het ruggenmerg beschermen.

De plaatsen waar botten bij elkaar komen vormen de gewrichten. Om het gewricht zit een gewrichtskapsel, met daarin gewrichtsvloeistof (synovia). Gewrichten absorberen schokken en zorgen ervoor dat het lichaam in verschillende richtingen kan bewegen.

Banden, spieren en pezen
Banden (ligamenten) houden de botten bij elkaar. Ze zijn gemaakt van sterk, licht elastisch materiaal. Spieren bewegen de botten en ondersteunen processen als ademhaling en de hartslag. Spieren zijn met pezen aan de botten bevestigd. Pezen zijn een soort stevige kabels van dicht weefsel. Spieren werken door samentrekking en ontspanning van de spiervezels. Spieren kunnen alleen aan een bot trekken, ze kunnen hem niet duwen. Daarom werken ze in tweetallen: de ene groep spieren buigt een gewricht, de andere groep strekt het gewricht. Spieren liggen in lagen over elkaar, daarom kunnen ze nooit in één figuur getekend worden.

Hoef
De hoeven dragen het gewricht van het lichaam, absorberen schokkenen en helpen om het bloed naar boven te pompen. De buitenkant van de hoef bestaat uit ongevoelige laagjes, een soort haartjes van eiwit, die vervlochten zijn met de gevoelige laagjes die uit de kroonrand groeien. De buitenste laag van de zool is ongevoelig; wat dichter bij de botten ligt een gevoelige laag. Aan de onderkant markeert de witte lijn de scheiding tussen de hoefwand en de zool. De hoefwand vormt een v-vorm, wat helpt bij de ondersteuning en het uitzetten (spreiden) van de hoef. De straal absorbeert schokken en voorkomt uitglijden. Bij iedere stap drukt de straal in elkaar en helpt zo het bloed omhoog te pompen, terug naar het hart (= hoefmechanisme).

De bewegingscyclus

Als een paard loopt doorgaat ieder been steeds vier fasen: het been zet af, zwaait naar voren, raakt de grond en ondersteunt het lichaam. Deze fasen zijn in iedere gang hetzelfde, het verschil zit hem in de volgorde waarin de benen worden verplaatst en de snelheid. Als je goed kijkt naar een paard dat vanuit stilstand gaat bewegen, lijkt het alsof hij zijn voorbeen als eerste gebruikt. Toch heeft het paard achteraandrijving: bij de eerste stap duwt het zijn achterbeen op de grond, en daarmee komt zijn hele lichaam naar voren. Het voorbeen moet dan snel uit de weg om ruimte te maken voor het achterbeen. Het lijkt daarom het alsof de beweging aan de voorkant start. Vanwege de achteraandrijving begint men bij analyes van stappen altijd met een achterbeen. Tijdens de stappen beweegt de hals van het paard om in balans te blijven. Daarmee verplaatst het voortdurend zijn zwaartepunt. Behalve in zweefmomenten heeft het paard altijd een of meer benen aan de grond. Dit noemen we de ondersteuning. In beweging zijn er drie soorten ondersteuning:

  • Unipedaal (één been aan de grond)
  • Bipedaal (twee benen aan de grond)
  • Tripedaal (drie benen aan de grond)

Overstappen
Tijdens het lopen zet het paard zijn achterbenen onder het lichaam. Hoe verder het achterbeen onder de buik komt, hoe groter de stap en hoe groter de kracht waarmee het paard zijn achterbeen afzet. Als het paard zijn achterbeen voorbij de afdruk van zijn voorbeen neerzet, spreken we van overstappen. Het paard kan zijn achterbeen vrij recht houden als hij het naar voren zet. Dan loopt hij lang en laag, met grote passen en veel duwende kracht. Het zwaartepunt ligt wat meer naar voren: het paard loopt op de voorhand. Als hij zijn lendenen kantelt en zijn achterbeen meer buigt in de beweging, worden de passen korter en hoger. Hij draagt dan meer gewicht op zijn achterhand en loopt \'verzameld\'.

Goede en slechte beweging
Als het goed is werken de spieren van het paard bij iedere stap harmonieus samen: ze ontspannen en trekken samen in een regelmatig ritme. Geen spier of spiergroep wordt verwaarloosd of overvraagd. Door goede beweging ontwikkelen alle spieren zich gelijkmatig en blijven ze goed fit. Slechte beweging (of dat nou komt door afwijkingen in de bouw, slapheid of een slechte ruiter) overvraagt bepaalde spieren en ondervraagt andere. Daardoor ontstaat spierpijn, bewegingsbeperking en ongelijkmatige ontwikkeling van de spieren. Houding en spierontwikkeling van het paard zeggen veel over de manier waarop hij normaal gesproken beweegt, hoe hij zijn spieren (mis)bruikt en hoe hij bereden is.

De gangen

Een goede gang heeft een strak, zuiver ritme. Het paard beweegt zich vrij, zonder misstappen of aarzelingen. Onregelmatige gangen kunnen ontstaan door kreupelheid, pijn of, meestal, door de invloed van de ruiter - vaak door zijn gebruik van het bit. Onregelmatige gangen zijn minder efficiënt dan zuivere gangen en kunnen op den duur stijfheid en pijn bij het paard veroorzaken. Een regelmatige gang is taktzuiver. Hoe die takt precies is verschilt per gang. Zo zijn stap en tölt viertaktgangen (je hoort vier onderscheiden stappen; de vier hoeven raken om de beurt de grond), terwijl de draf en telgang tweetaktgangen zijn (er komen steeds twee hoeven tegelijk op de grond.

Stap
Stap is een viertakt gang (de vier hoeven raken om de beurt op de grond). Er zijn altijd twee of drie voeten aan de grond (bi- en tripedale ondersteuning), dus er is geen zweefmoment. Het is een schrijdende gang. De volgorde van de benen is als volgt:
 

  • rechts achter
    • rechts voor
      • links achter
        • links voor

 
In een goede stap zie je beweging in de rug van het paard en zet hij zijn achterbenen goed onder zijn buik. De snelheid is ongeveer 100 meter per minuut.

We onderscheiden:

  • Normale stap: gemiddeld tempo, gemiddelde verzameling en gemiddeld overstappen.
  • Vrije stap: ontspannen stap waarin het paard met lange hals voorwaarts-neerwaarts loopt en zijn rug helemaal ontspant. Deze stap wordt met losse teugels gereden.
  • Verzamelde stap: een energieke, elastische stap waarin het paard aan de teugel loopt en goed verzameld is. De stappen zijn wat kort, hoog en actief. Omdat de stappen korter zijn hoeft het paard niet over te stappen.
  • Uitgestrekte stap: bij iedere stap legt het paard zo veel mogelijk afstand af zonder zijn ritme te verliezen of tempo te verhogen. De achterbenen stappen ruim over, de hals wordt wel hoog gedragen, maar ook vrij lang.
  • Middenstap: gemiddeld grote passen, het paard loopt aan de teugel.

Ongewenste vormen:

  • Dribbelen: een onregelmatige stap die neigt naar draf, tölt of schweinepass. Moeilijk onder controle te houden en oncomfortabel.
  • Luie stap: langzame stap zonder stuwing, overstappen, balans of impuls.
  • Laterale stap: de viertakt is (bijna) tweetakt geworden. De benen aan één kant van het lichaam bewegen tegelijk. De oorzaak is spanning of stijfheid in de rug of nek. Komt bij laterale IJslanders veel vaker voor dan bij paarden met drie gangen.

Draf
De draf is een tweetakt gang met zweefmoment. Het diagonale benenpaar raakt tegelijk de grond. De ondersteuning is bipedaal en de snelheid is ongeveer 200 meter per minuut. De beenvolgorde is als volgt:
 

  • rechts achter en links voor
    • links achter en rechts voor

In de draf kan de ruiter lichtrijden of doorzitten. Lichtrijden wil zeggen dat de ruiter staat en zit in het zadel, in het ritme van de draf. In de bak of baan rijd je licht op het buitenbeen, dat wil zeggen je gaat staan als het buitenvoorbeen naar voren komt (en dus het binnenachterbeen). Daarmee ontlast je het binnenachterbeen in de bochten en kan het paard dat been gemakkelijker onderbrengen.

We onderscheiden:

  • Arbeidstempo draf: licht verzamelde draf met veel impuls en een goede takt in een vrij laag tempo.
  • Verzamelde draf: kortere en hoge passen waarbij het zwaartepunt van het paard naar achteren is geschoven. Het paard is verzameld en gebruikt de spieren op de bovenlijn goed.
  • Middendraf: veel impuls vanuit de achterbenen, tamelijk grote stappen. Deze gang zit tussen het arbeidstempo en de uitgestrekte draf in.
  • Uitgestrekte draf: bij iedere stap legt het paard een zo groot mogelijke afstand af. Veel impuls vanuit de achterhand, iedere stap wordt zo lang mogelijk gemaakt, het zweefmoment is lang. De takt moet zuiver blijven.

Ongewenste vormen:

  • Stijve of gespannen draf: de rugspieren zijn niet elastisch maar blokkeren. De rug is hol en het hoofd wordt hoog gedragen terwijl de onderhals naar voren geduwd wordt. Deze gang is oncomfortabel voor paard en ruiter en kan het paard rugpijn en overbelaste gewrichten bezorgen.
  • Draf zonder zweefmoment: het paard stapt van het ene diagonale benenpaar naar het andere zonder dat alle benen van de grond zijn.
  • Onregelmatige draf: het diagonale benenpaar komt niet precies tegelijk op de grond. Ofwel het voorbeen, ofwel het achterbeen wordt net wat eerder neergezet.
  • Valse uitgestrekte draf: het paard strekt zijn voorbenen ver naar voren, waardoor de hoef overdreven omhoog komt. Het voorbeen moet weer iets terug naar achteren voordat het de grond kan raken. Dit ziet er wel spectaculair uit, maar is meestal een teken van stijfheid, spanning en verzet. Het paard \'belooft meer aan de voorkant dan dat het aan de achterkant waar maakt\': de achterbenen stappen niet genoeg onder.

Galop
Galop is een drietaktbeweging met uni- bi- en tripedale ondersteuning. De galop is een gesprongen gang met zweefmoment, waarbij het paard een snelheid van zo\'m 350 meter per minuut kan halen. De beenvolgorde verschilt in de linker- en de rechtergalop.

Linkergalop:
 

  • rechts achter
    • links achter en rechts voor
      • links voor

 
Rechtergalop:

  • links achter
    • rechts achter en links voor
      • rechts voor


Als je linksom galoppeert in een bak of op een baan moet je in de linkergalop aanspringen. Op de rechterhand spring je in de rechtergalop aan. Als het paard in de verkeerde galop gaat heeft hij moeite om zijn balans te bewaren in de bochten.

Enkele vormen van galop zijn:

  • Arbeidsgalop: licht verzamelde gang met goede impuls en lichte stappen.
  • Verzamelde galop: lichte, energieke, wat kortere passen, goed verzameld. Het zwaartepunt is naar achteren verschoven, de rug is rond. De schouder is los en er is veel impuls vanuit de achterhand.
  • Middengalop: tussen de arbeids- en rengalop in. Het paard galoppeert met vrije, gebalanceerde en gemiddeld grote stappen.
  • Rengalop: het paard legt bij iedere stap zo veel mogelijk afstand af. Zijn hoofd en hals strekken zich wat meer naar voren.

Ongewenste vormen:

  • Verkeerde galop (die overigens ook wel bewust gevraagd wordt, als oefening om soepeler te worden).
  • Overkruiste galop: de voorbenen zijn in de linker galop en de achterbenen in de rechter galop, of andersom. Het paard kan in deze gang met een achterbeen tegen een voorbeen aantikken en zichzelf daarbij flink blesseren.
  • Viertakt galop: het diagonale benenpaar raakt net na elkaar de grond. Als het paard te veel op de voorhand loopt komt het voorbeen eerst neer, als het paard zijn rug wegdrukt komt het achterbeen eerder op de grond.
  • Laterale galop: de linkerbenen bewegen bijna tegelijk, net als de rechterbenen. Deze fout heeft vaak te maken met stijfheid van de rug en nek.

Tölt
De tölt is een viertaktbeweging met bi- en tripedale ondersteuning. Deze gang wordt floating genoemd (zwevend, glijdend). Er is geen zweefmoment en de snelheid varieert van 200 tot 350 meter per minuut.

De beenvolgorde is hetzelde als in stap:

  • rechts achter
    • rechts voor
      • links achter
        • links voor

Vormen van tölt:

  • Arbeidstölt: sterk verzamelde gang met veel stuwing van de achterhand en veel oprichting. Het paard loopt met een trotse houding en met een regelmatige viertakt. Het zwaartpunt van het paard ligt naar achteren. Het hele front is los en vrij, inclusief de schouder. De stappen zijn relatief beheerst, maar men ziet bij het arbeidstempo ook graag veel ruimte en knie-actie. Arbeidstempo tölt zit qua snelheid dicht bij de stap. In deze gang moet je een kleine volte kunnen rijden zonder dat het tempo verandert.
  • Langzaam tempo tölt: vergelijkbaar met het arbeidstempo, maar wat minder verzameld en iets sneller.
  • Middentempo tölt: ruim 200 meter per minuut. Ook in het middentempo hoort de tölt verzameld te zijn.
  • Sneltempo tölt: ook in het snelle tempo is het paard goed verzameld, hoewel veel minder sterk als in het arbeidstempo. Het tempo is vergelijkbaar met een middengalop (?), ruim 300 meter per minuut. De gang moet taktzuiver zijn en men ziet graag veel ruimte in de gangen, met hoge knie-actie en veel voorwaartsdrang van het paard. In sommige proeven wordt het sneltempo tölt met losse teugel gereden, wat de push van achteren en de vrije houding van de voorhand benadrukt.

Ongewenste vormen:

  • Laterale tölt: de tölt gaat richting de telgang, maar zonder zweefmoment. In de meest extreme vorm, als de tölt een zuivere laterale tweetakt is geworden, spreekt men wel van schweinepass. Een laterale tölt kan het gevolg zijn van stijfheid in de rug en het bekken of juist van een te slappe achterhand.
  • Diagonale tölt: de beenzetting gaat richting de draf (diagonale tweetakt). In de meest extreme vorm krijg je een draf zonder zweefmoment. Een diagonale tölt wordt ook wel drölt genoemd (een samentrekking van draf en tölt). Deze vorm komt veel voor bij viergangers met een voorkeur voor draf en heeft vaak te maken met te weinig stuwing van de achterhand (door slapheid of door verkeerde ruiterhulpen). Je ziet deze vorm ook bij viergangers die met een weggedrukte rug en veel onderhals lopen. Deze houding veroorzaakt veel schade in het bewegingsapparaat.

Telgang
De telgang is een laterale gang (de benen aan één kant van het lichaam bewegen tegelijk) met een tweetaktbeweging. De ondersteuning is bipedaal. Een goede telgang heeft een zweefmoment en de snelheid kan oplopen tot 350 meter per minuut. Bij een rentelgang komt het achterbeen een fractie eerder op de grond dan het voorbeen.

De beenvolgorde is als volgt:

  • rechts achter en rechts voor
    • links achter en links voor

Ongewenste vormen:

  • Telgang zonder zweefmoment (laterale tölt of schweinepass)
  • Te langzame telgang

 

Door: Ingrid Claassen
Bronnen: Susan Harris, Horse Gaits, Balance and Movement
Thorgeir Gudlauchsson (basiscursus NSIJP, 2003)