slideshow 1

Verzorging

Voeding

Voeding
Foto CJ
Foto CJ
Foto: Henk Peterse
Foto: Henk Peterse
Foto CJ
Foto CJ
Foto CJ
Foto CJ

 Rantsoen

Ieder paard is anders en heeft zijn eigen rantsoen (= voeding) nodig. Hoe dat rantsoen eruit ziet is onder meer afhankelijk van het lichaamsgewicht, het werk dat het paard moet doen en zijn leeftijd. Ook het ras speelt een rol: er zijn (grote) verschillen in de voedingsbehoefte tussen met name warmbloed- en koudbloedrassen.

Een goed rantsoen

  • Bevat alle voedingsstoffen die het paard op dat moment nodig heeft;
  • Bevat veel ruwvoer, wat krachtvoer en bij twijfel een supplement.


Het lichaamsgewicht is een belangrijke factor bij de bepaling van het rantsoen. Je kunt het gewicht van je paard schatten met de volgende formule. Meet met een centimeter de borstomvang (dus rond de borst over de schoft) en de lengte (van voorborst naar zitbeensknobbel). (Borstomvang x borstomvang x lengte) : 11900 = gewicht paard. Deze schatting komt meestal dicht bij het werkelijke gewicht, maar bij sommige paarden is de uitkomst afwijkend. Het is daarom belangrijk dat je de uitkomst niet klakkeloos aanneemt, maar kijkt of het enigszins klopt met je eigen schatting. Op sommige evenementen en op paardenklinieken kun je je paard wegen, als je in die gelegenheid bent is dat zeker aan te raden.

Voeding bestaat uit droge stof en vocht. Bij de rantsoenberekening gaan we altijd uit van de hoeveelheid droge stof.

Ruwvoer is een onmisbaar onderdeel in de voeding van je paard. Het is verstandig om voor wat betreft het ruwvoer een goede rantsoenberekening te maken. Naast ruwvoer kun je extra energie (krachtvoer) op het oog bijvoeren. Het is onmogelijk om op het oog te bepalen of je paard genoeg eiwit en andere voedingsstoffen bij krijgt. Ook daarvoor zijn berekeningen nodig.

Te dun of te dik?
Op het oog zie je vooral aan de ribben of je paard te dik of te dun is. Je moet de ribben kunnen voelen, maar niet kunnen zien. Let verder op de manenkam, de schoft en de bovenkant van de kont: op deze plaatsen hoopt vet zich op als een paard te dik is. Bij te dunne paarden worden deze plaatsen erg mager. Te magere paarden zijn meestal ziek, hebben gebitsproblemen of een wormeninfectie. Oudere paarden hebben vaak in de winter veel moeite om op gewicht te blijven omdat hun gebit versleten is. Gras kunnen ze dan nog aardig naar binnen krijgen, hooi en kuil is veel moeilijker. Een groot risico bij te dikke paarden is hoefbevangenheid. Te dikke paarden mogen niet te snel afvallen omdat er dan vetdeeltjes in het bloed terecht kunnen komen (hyperlipemie), wat levensbedreigend is. Laat drachtige merries nooit afvallen vanwege dit risico.

Vertering
Voedsel wordt verteerd in het maagdarmkanaal. Bij paarden zijn de blinde en de dikke darm relatief sterk ontwikkeld. De maag is vrij klein en kan slechts kleine porties krachtvoer aan. Ruwvoer kan wel in grotere hoeveelheden door de maag heen. Na de maag komt het voedsel in de dunne darm. Dit stuk darm ligt vrij los in de buikholte en kan daardoor vrij gemakkelijk in de knoop raken. In de dunne darm worden zetmeel, vet en eiwitten verteerd. Wat overblijft wordt doorgeschoven naar de dikke en blinde darm. Dit is eigenlijk een groot fermentatievat waarin vezels worden afgebroken. In de darm leven miljoenen bacteriën in een precies evenwicht met elkaar. Zodra dat evenwicht verstoord raakt ontstaat diarree. Aan de buitenkant van het paard "zie" je in de linkerflank de dikke darm en in de rechterflank de blindedarm. Bij ingevallen flanken zijn de darmen niet gevuld. Het paard hoeft dan overigens niet mager te zijn. Opgevulde flanken betekenen dat de darmen vol zijn, wat niet wil zeggen dat het paard dik is. Je kunt aan de flanken dus niet bepalen of je paard te dun of te dik is. Je kunt aan de mest zien of de vertering goed verloopt. Als de mest te droog (je ziet dan veel structuur in de mestballen) of te nat is, is er iets aan de hand met de spijsvertering. Het is overigens normaal als de mest wat dun is als het paard op het gras staat.

Ruwvoer
Ruwvoer bevat vezels: ruwe celstof met een bepaalde vezellengte. De vezels stimuleren het maagdarmkanaal en zorgen voor een goede vertering. Het spijsverteringskanaal van het paard is ingericht op de verwerking van een grote hoeveelheid vezels. Paarden kauwen lang op ruwvoer, wat zorgt voor een hoge speekselproductie. Vermengt met speeksel gaat het voedsel gemakkelijker door de slokdarm en mengt het zich beter met maagzuur. Het speeksel heeft ook een rol in de vertering in de dunne darm.

Hoeveelheid
Van ruwvoer heeft een paard heeft ongeveer een kilo droge stof per 100 kilo lichaamsgewicht nodig. Dat is 1,2 kilo hooi, 1,4 tot 2 kilo kuil (hoe natter de kuil, hoe meer gewicht je moet voeren) of 1,5 uur weidegang (met niet te kort gras). Het is verstandig je hooi of kuil af en toe te wegen, zodat je ongeveer weet wat een plak weegt (bij hooi: vaak 1 tot 1,5 kilo). Een IJslander weegt tussen de 300 en 400 kilo. Een IJslander van 350 kilo heeft dus ongeveer 4,2 kilo hooi nodig, of 5 tot 7 kilo kuil, of ongeveer vijf uur weidegang. 24 uur per dag op de wei is voor ieder paard te veel (als er ruim gras op de wei staat). Een IJslander kan bijna 60 kilo gras op een dag eten, wat ruim meer is dan hij nodig heeft. Over het algemeen is zes tot negen uur weidegang op een dag voldoende. Strookbeweiding is een goed alternatief als de paarden niet van de wei af kunnen. De paarden op heel kort gras houden wordt afgeraden omdat ze dan veel zand mee naar binnen krijgen (met het risico van koliek en diarree).

De hoeveelheid energie die een paard nodig heeft wordt uitgedrukt in VEP (Voeder Eenheid Paard). Ruwvoer biedt zowel energie als eiwit. Het blijkt dat een paard dat veel werkt nauwelijks extra eiwit nodig heeft, terwijl de energiebehoefte wel toeneemt. Als een paard zes uur per dag op de wei staat krijgt hij voldoende energie binnen, maar veel te veel eiwit. Het is overigens de vraag of een overmaat aan eiwit zo veel problemen veroorzaakt als vaak gedacht wordt.

Ruwvoer bevat in principe voldoende voedingsstoffen, krachtvoer bijvoeren is dus niet per se nodig.

Soorten ruwvoer:

  • Hooi wordt geconserveerd door gras te drogen. Het gehalte droge stof in hooi is hoog: zo\'n 85%;
  • Kuil wordt geconserveerd door verzuring. Het gehalte droge stof is 45 tot 60%. Bij droog kuilvoer is het drogestofgehalte bijna gelijk aan dat van hooi. Van nat kuilvoer moet je meer kilo\'s voeren omdat je paard relatief meer vocht binnen krijgt, en relatief minder droge stof. Kuil moet zuurstof- en lichtvrij ingekuild worden. Als er een gaatje in een pak zit, komt er al snel schimmel op. Let daar goed op, want paarden eten beschimmeld kuil gewoon op terwijl ze er erge diarree en koliek van kunnen krijgen. Het kan zelfs tot hoefbevangenheid leiden;
  • Luzerne is gemaakt van een vlinderbloemige plant. Het is erg eiwitrijk en bevat veel vitamine A. In luzerne zit meer calcium dan in gras; de verhouding Calcium : Fosfor in lucerne is niet ideaal voor jonge paarden. Paarden vinden luzerne vaak erg lekker;
  • Snijmais bevat veel energie, weinig eiwit en weinig vitamines en mineralen. Het is vooral geschikt als bijproduct, niet als volwaardige voeding.

 

Voedingsstoffen
Het paard maakt de essentiële voedingsstoffen niet zelf aan, maar moet die via zijn voeding binnen krijgen. Er is slechts gedeeltelijk bekend wat een paard precies nodig heeft; het onderzoek hiernaar is nog beperkt. Paarden verliezen en verbruiken dagelijks energie, eiwitten, mineralen, sporenelementen en vitamines, en die moeten dagelijks aangevuld worden. Deze voedingsstoffen zijn nodig om optimaal te kunnen functioneren.

Je kunt niet aan de buitenkant zien hoeveel voedingsstoffen het ruwvoer bevat. Het is mogelijk om je ruwvoer te laten analyseren, maar dat is eigenlijk alleen zinnig als je zelf hooi of kuil produceert of altijd van dezelfde grond ruwvoer krijgt. De hoeveelheid voedingsstoffen varieert nogal in verschillende partijen hooi en kuil. Met name de gehaltes koper, selenium en zink kunnen sterk verschillen. Als je je ruwvoer niet kunt analyseren (wat voor de meeste mensen geldt), moet je uitgaan van de laagste waarden die het ruwvoer kan bevatten. Je kunt je paard beter wat te veel supplementen bijgeven dan dat hij langdurig tekort krijgt. Een tekort geeft op korte termijn weinig problemen, maar op de langere duur zal het paard ziek worden. Dat komt overigens niet veel voor. We zien wel paarden die minder weerstand hebben, slecht verharen en minder goed presteren als ze langere tijd voedingsstoffen tekort komen. Misschien speelt dit ook een rol bij paarden met zomereczeem.

Krachtvoer
Er zijn twee soorten krachtvoer: complete voedermiddelen (brok, muesli) en enkelvoudige krachtvoeders (granen, bietenpulp, wortelen, lijnzaad, olie). Complete voedermiddelen zijn overigens niet echt compleet: het kan ruwvoer niet vervangen. De term compleet is dus eigenlijk verwarrend, krachtvoer is altijd aanvullend voer. Er zijn speciale ponybrokken in de handel met extra vitamines en mineralen, maar dan nog krijgen veel pony\'s te weinig voedingsstoffen binnen. Veel pony\'s krijgen minder dan een kilo per dag, en dan is bijna altijd aanvulling noodzakelijk als je de gehalten uit het ruwvoer niet kent. Dus zonder kennis van het ruwvoer ben je het rantsoen vaak aan het overcompenseren met supplementen die misschien wel niet nodig zijn.

Brokken en muesli
Brokken en muesli zijn mengsels van granen en bijproducten van granen, aangevuld met vitamines, mineralen en sporenelementen. De hoeveelheid voedingsstoffen verschilt nogal per soort brokken en muesli, het is daarom zeker de moeite om de waarden van verschillende soorten met elkaar te vergelijken. Het voordeel van muesli boven brokken is dat de meeste paarden muesli lekkerder vinden en dat ze er meer op moeten kauwen, waardoor extra speeksel gevormd wordt. Dat heeft een goede invloed op de spijsvertering. Geef IJslanders liever niet te veel krachtvoer in één keer. Maximaal een kilo; als je meer wilt voeren kun je het beter over de dag verspreiden.

Granen
Je kunt je paard \'losse\' granen bijvoeren, zoals mais, gerst, haver, tarwe en rogge. Granen zijn een aanvulling op compleet krachtvoer. Ze bevatten relatief weinig calcium (en daardoor is de verhouding tussen calcium en fosfor ongunstig voor paarden) en relatief weinig vitamines en spoorelementen.

Lijnzaad
Lijnzaad bevat een speciaal vetzuur, waarvan men denkt dat het goed is voor de weerstand. In lijnzaad zit echter ook een stof die in het lichaam wordt omgezet in het giftige blauwzuur. Je moet lijnzaad daarom beperkt voeren. Gekookt geldt dat overigens niet, dan kun je het onbeperkt bijvoeren. De slijmmassa van gekookte lijnzaad legt een beschermend laagje in de darmwand. Veel mensen geven lijnzaad om zand uit de darmen te halen, maar ruwvoer doet dat beter dan lijnzaad.

Bietenpulp
Bietenpulp is goed voor de fermentatie in de darmen, maar moet wel altijd eerst geweekt worden. Gebruik vijf keer zo veel water als bietenpulp en laat het ongeveer twee uur weken. Ongeweekte pulp zet uit in het spijsverteringskanaal en kan daardoor voor grote problemen zorgen. Je mag maximaal een kilo per dag voeren. De werking van bietenpulp is een beetje vergelijkbaar met yakult: een gunstige invloed op de bacteriën in de darmen (met yakult geef je \'echte bacteriën\' en met bietenpulp een vezel die die bacteriën laat groeien). Voer nooit koeien- of kalverbrok, omdat daar ongeweekte bietenpulp in zit.

Wortels
Je kunt rustig wortels bijvoeren, maar let op dat ze niet beschimmeld zijn. Beschimmelde wortels kunnen koliek veroorzaken.

Olie
Een paard kan olie goed verteren, maar je moet de hoeveelheid wel geleidelijk opbouwen. Uiteindelijk kan het paard 2 tot 3 dl olie per dag aan. Olie is energierijk. Als een paard veel energie nodig heeft, kan olie een goede keuze zijn.

Supplementen
Voedingsstoffen vul je aan met supplementen. Er zijn veel soorten supplementen op de markt, die onderling sterk kunnen verschillen. Let vooral op de hoeveelheid koper, zink en selenium; er zijn veel supplementen die de benodigde hoeveelheid van deze stoffen niet halen. Paarden weten zelf hoeveel zout hun lichaam nodig heeft. Daarom werken likstenen zo goed: het paard likt precies de hoeveelheid die het nodig heeft. Dat geldt niet voor koper en selenium: als die stoffen in de liksteen zitten, garandeert dat niet dat het paard er genoeg van binnenkrijgt. Als het weinig zoutbehoefte heeft, zal hij de liksteen links laten liggen ook al heeft hij wel behoefte aan extra selenium. Je kunt niet in het bloed zien of een paard te weinig vitaminen binnenkrijgt.

Giftige stoffen
Eikels zijn alleen giftig als ze nog groen zijn en dan in grote hoeveelheden worden gegeten. Na een storm, als er veel jonge eikels van de bomen vallen, kan dit een probleem zijn. Een bekende giftige plant is het Jakobskruiskruid. In de wei eten paarden dit in principe niet, tenzij er niets anders te eten is. In gedroogde vorm (hooi) herkennen paarden het niet meer. Vooral hooi uit natuurgebieden kan dit kruid bevatten. Het kan een leveraandoening veroorzaken die uiteindelijk fataal is. Als je merkt dat je paard ziek is, is het vaak al te laat. Controleer je hooi daarom op deze giftige plant.

IJslanders zijn wel anders, maar ze verteren hun voedsel in grote lijnen net als andere rassen. Het is een sober ras en de paarden hebben daardoor weinig energie nodig. Let er daarom wel op dat ze voldoende voedingsstoffen binnenkrijgen.

Voeding en gezondheid

Voeding kan een oorzaak zijn van allerlei ziekten, met name verteringsstoornissen en tekorten aan voedingsstoffen. Aan de andere kant kan voeding ondersteunen bij de genezing van een aantal ziekten. Voeding als therapie staat overigens nog in de kinderschoenen, er is nog veel onderzoek nodig om duidelijk te krijgen welke invloed voeding kan hebben op het genezingsproces. Er zijn wel duidelijke aanwijzingen dat dieetvoeding een positieve invloed heeft op bijvoorbeeld paarden die regelmatig koliek hebben en op paarden die gevoelig zijn voor spierbevangenheid.

Dieetvoeding
Dieetvoeding kan geschikt zijn voor paarden die:

  • Wat ouder zijn;
  • Een leveraandoening hebben;
  • Een nieraandoening hebben;
  • Regelmatig koliek hebben;
  • Gevoelig zijn voor spierbevangenheid;
  • Diarree hebben;
  • Last hebben van blaasstenen;
  • Een operatie hebben ondergaan;
  • Ernstig ziek zijn en daardoor weinig of geen voedsel opnemen;
  • Paarden die veel moeten afvallen (risico op te snelle vetafbraak vermijden).

Senioren
Bij oudere paarden is het belangrijk om goed op de voeding te letten. Bij oudere paarden is het gebit minder goed, waardoor het niet zo goed kauwt en daardoor een minder goede vertering heeft. De stofwisseling lijkt wat trager te verlopen bij oudere paarden. Ze hebben vaak minder weerstand en de functie van de nieren en lever kan achteruitgaan. Oudere paarden doen het vaak goed op makkelijk verteerbaar voedsel. Dit soort "ontsloten" producten, zeg maar voeding die al voorverteerd is. Hiervoor zijn verschillende productiemethoden (extruderen, expanderen, poffen, microniseren). Ook de ruwe celstof (het ruwvoer) verdient de aandacht. Senioren hebben baat bij een combinatie van snel en langzaam verteerbare vezels. Meestal bevat niet te grof hooi beide vezels, hoe stengeliger het hooi des te langzamer het verteerd wordt. Oudere paarden hebben geen verhoogde behoefte aan eiwit of aan mineralen. Het is wel verstandig om extra zink en selenium (beide spoorelementen) te geven. Wat betreft de vitamines geldt dat oudere paarden vaak minder vitamine B en K opnemen omdat ze minder goed ruwvoer eten. Die vitamines kun je dus beter ook bijvoeren. Al met al krijgen senioren bij voorkeur een rantsoen met relatief weinig ruwvoer en veel aanvullend voer. De verhouding ruwvoer : krachtvoer is 30 : 70 of extremer, soms zelfs 100% krachtvoer. Realiseer je wel dat dit geen commercieel krachtvoer mag zijn, want die bevatten te veel zetmeel en suikers en te weinig vezels. Dus het moet een aangepast rantsoen oftewel een speciaal dieet zijn. Als een ouder paard geen ruwvoer meer kan eten is het verstandig om hem slobber (ook van een speciale weloverwogen samenstelling) te geven. Op die manier kan hij best een lange tijd zonder ruwvoer. Als hij maar vaak per dag kleine porties voer krijgt en genoeg te doen heeft om niet uit verveling allerlei stalondeugden te ontwikkelen. Oudere paarden die wel ruwvoer eten hebben het liefst fijn hooi, kuil of gras. Het is belangrijk dat een senior regelmatig te eten krijgt, het rantsoen moet liefst in meerdere porties op een dag verspreid gegeven worden (in ieder geval meer dan twee keer per dag).

Relatie voeding - hoefbevangenheid
Uit onderzoek is duidelijk geworden dat hoefbevangenheid kan ontstaan als een paard te veel stoffen binnenkrijgt die snel fermenteerbaar (verteerbaar) zijn. Snel fermenteerbare voedingstoffen die met hoefbevangenheid worden geassocieerd zijn zetmeel (krachtvoer), fructaan (in gras) en pectine (in bietenpulp). Een overschot aan deze stoffen verstoort de darmflora in de blinde en de dikke darm. De hoeveelheid melkzuurbacterie wordt dan te groot waardoor het milieu in de darmen te zuur wordt. Bepaalde darmbacteriën sterven af, waarbij endotoxinen vrijkomen (een soort giftige stoffen). De darmwand laat deze stoffen te makkelijk door, waardoor ze in het bloed komen. De endotoxinen verstoren de kleine bloedvaatjes, met name die in de hoeven. Dat geeft een soort zwelling en de \'lamellen\' waaruit de hoef is opgebouwd, worden als het ware uit elkaar getrokken. Daardoor kan het hoefbeen losraken en in ernstige gevallen onder uit de hoef naar buiten komen.

Een andere mogelijke oorzaak van hoefbevangenheid wordt gevormd door afbraakproducten van bepaalde eiwitten. Deze eiwitten zijn altijd in het spijsverteringskanaal aanwezig, maar als er te veel zijn en de darmwand verhoogd doorlaatbaar is, ontstaan problemen.

Preventie
Om hoefbevangenheid te voorkomen is een goed voerbeleid belangrijk. Enkele aandachtspunten:

  • De overgang naar ander voer moet altijd geleidelijk gemaakt worden. Dit geldt met name voor ruwvoer (bijvoorbeeld bij het overschakelen van hooi op gras);
  • Geef nooit beschimmeld voer;
  • Let op de samenstelling van het voer: niet te veel makkelijk fermenteerbare vezels (zetmeel, pectine, fructaan);
  • Genoeg vezels (structurele koolhydraten);
  • Houd het paard van de wei als het fructaangehalte hoog is. Fructaan is een suiker in gras, een reservestof die bijvoorbeeld gebruikt wordt als het donker is. Als het overdag warm is en \'s nachts koud, zit er \'s ochtends veel fructaan in het gras. Aan het eind van de ochtend neemt het gehalte weer af. Je kunt je paard op die dagen beter niet te vroeg op de wei zetten.

Ondersteuning van genezing
Ook bij een paard dat eenmaal hoefbevangen is, kan voeding een rol spelen. Het is mogelijk de genezing te ondersteunen met goede voeding. Bij een acute ontsteking heeft het paard een verhoogde behoefte aan voedingsstoffen. Je kunt hem dan ruwvoer en supplementen voeren. Slobber van zemelen bindt de endotoxinen. Daarna kun je kleine porties krachtvoer gaan geven. De overgang naar ander voer moet heel geleidelijk gaan. En pas op voor tijden dat het gras hoge gehaltes fructaan bevat (warme ochtend na een koude nacht!). Vetzucht is geen directe oorzaak van hoefbevangenheid, maar veel gewicht op de hoeven verergert het probleem wel. Een bevangen paard dat te dik is moet dus afvallen, maar dat mag niet te snel gebeuren omdat er dan vetcellen in de bloedbaan terecht kunnen komen, wat gevaarlijk is.

Mythes en feiten rond eiwitten
Eiwitten in voer krijgen vaak de schuld van allerlei kwalen (huidproblemen, met name eczeem, dikke benen, hoefbevangenheid). Het is de vraag of dat terecht is.

Vertering van eiwit
Eiwitten worden in de dunne en in de dikke darm verteerd. In de dunne darm wordt eiwit afgebroken tot aminozuren, die weer via de darmwand opgenomen worden in de bloedbaan. Via de dunne darm haalt het lichaam 25 tot 75% van het benodigde eiwit uit de voeding. In de dikke darm is eiwit nodig als stikstofbron voor bepaalde bacteriën. Bij de vertering van eiwit in de dikke darm ontstaat amoniak, dat via de lever en de nieren uitgescheiden wordt.

Hoeveelheid eiwit
Een paard krijgt al gauw twee keer meer eiwit binnen dan hij nodig heeft. In feite krijgt ieder paard te veel eiwit binnen, maar het is de vraag of dat erg is. De gevolgen zijn:

  • Meer eiwit in de mest (het overschot aan eiwitten komt onverteerd naar buiten);
  • Meer activiteit van de lever door een hogere amoniakproductie;
  • Meer activiteit van de nieren om de amoniak uit te scheiden (het paard plast meer);
  • Het paard drinkt meer water omdat de nieren meer gifstoffen uitscheiden;
    Deze gevolgen zijn over het algemeen niet problematisch.


Eiwit-overgevoeligheid
Sommige paarden zijn allergisch voor eiwit. Een allergie is een reactie van het immuunsysteem op een specifiek eiwit of combinatie van aminozuren. Op welke eiwitten paarden reageren is niet duidelijk, meestal eiwitten uit bepaalde grondstoffen die in het voer gebruikt worden. Een klein beetje eiwit geeft dan al een allergische reactie. Dit is zeldzaam.

Het lijkt er ook op dat paarden, net als mensen, overgevoelig kunnen zijn voor biogene aminen (dit zijn een soort afbraakproducten van aminozuren). Een bekende biogene amine is histamine. Overgevoeligheid voor biogene aminen kan onder andere huidklachten veroorzaken. Waarschijnlijk zijn paarden hiervoor alleen overgevoelig als er een verteringsstoornis is en als de darmwand verhoogd doorlaatbaar is. Dus is het overgevoeligheid of niet, er komen wellicht op bepaalde momenten (bij fermentatiestoornissen) meer biogene aminen in het bloed die bepaalde reacties geven, waardoor klachten ontstaan. Als een paard overgevoelig lijkt voor eiwit, kun je proberen een optimaal rantsoen te geven dat bestaat uit veel ruwvoer, het liefst grof stengelig hooi (niet te veel gras) en minder krachtvoer. De gehaltes fructaan en zetmeel gaan dan overigens ook omlaag. Dus je optimaliseert de situatie in de blinde- en dikke darm voor een goede microflora en een rustige fermentatie met minder kans op het ontstaan van biogene aminen of andere stoffen die na opname tot klachten kunnen leiden.

Eczeem
Eiwit is niet de oorzaak van eczeem. Het lijkt er wel op dat een goede voeding een eczeempaard ondersteunt. Met een goed rantsoen kunnen de huidklachten verminderen. Let op dat je paard voldoende zink, selenium en koper binnen krijgt. Dit zijn voedingsstoffen die de weerstand en de huid ondersteunen. Ook het vetzuur uit lijnzaadolie kan daarvoor gebruikt worden.

Door: Ingrid Claassen
Bron: Lezing Anneke Hallebeek, dierenarts en voedingsdeskundige